IIGS Nieuwsbrief - September 1998
Je had deze week de lerarenopleiding eens moeten bezoeken. Zo'n belangrijke dag als deze belangrijke dag heb ik in al mijn eerdere belangrijke dagen nog nooit meegemaakt! Er waren allerlei soorten leraren aanwezig. En wat een vrouwen! Mooie, lelijke, grote, kleine, dikke, dunne, slimme en domme. Ze waren met meer stijl gekleed dan ik ooit tevoren in mijn leven heb gezien en hun jurken waren oogverblindend. Ik heb geen idee waar ze allemaal hun kauwgum vandaan hadden, maar ze waren allemaal zo luid aan het kauwen, dat het geluid me deed denken aan herkauwende koeien. Aan de onderkant van elke stoel in de rechtbank kleefden stukjes kauwgom -- het leken wel modderklonten zoals die in een boerenschuur ontstaan. De mannen zagen er deftig en keurig uit, en ze speelden hun rol. Handschoenen, Sidney halsdoeken, gepatenteerde lederen schoenen en hun haar met een scheiding in het midden -- net vrouwen.
Zo was het vroeger niet. In plaats van zijden jurken droegen de vrouwen katoen en in plaats van het kauwen van kauwgom van vijf cent per pakje kauwden ze op gedroogde perziken. De mannen droegen schoenen van koeienleer en ze kamden hun haar naar één kant. In die tijd was het hebben van een gouden horloge een teken van rijkdom voor een man en het hebben van een piano kwam niet voor. Nu zijn piano's net zo vaak te zien als honden op straat en we beleven nog steeds moeilijke tijden.
Er is tegenwoordig ook een groot verschil in leermethodieken. Vroeger moesten we plaatsen opnoemen uit de wereldatlas. Tegenwoordig wordt aardrijkskunde geleerd met gedetailleerde plaatjes en leerboeken. Elk jaar moesten we onze grammatica doornemen en moesten we alle regeltjes leren zonder te leren waar ze goed voor waren. Bij het lezen liet de leraar ons tot het einde van onze tekst lezen om vervolgens weer van voren af aan te beginnen. We leerden de tafels van vermenigvuldiging en dreunden deze van voor naar achter en van achter naar voren op en soms betekende dit dat je voor het oplossen van bijvoorbeeld negen keer elf in jezelf de hele tafel moest opzeggen. We konden allemaal net zo goed lezen als de pastoor, maar zonder een woord te begrijpen van wat we lazen, omdat het allemaal in het Engels was en wij spraken alleen maar Nederlands. Om twaalf uur openden we onze lunchpaketten bestaande uit koude leverworst, appel, brood, boter en hardgekookte eieren. Terwijl onze mond bezig was met eten, stampten we met onze voeten op de vloer. In een hoek van de kamer zat altijd een jongen die last had van luizen. Niemand bood hem walnoten of appels aan omdat hij de enige republikein in de school was. Het laatste wat ik over hem gehoord heb is dat hij een senator is geworden in een van de staten in het westen en de jongen die hem altijd plaagde vecht nog steeds voor een bestaan hier op de berg. Je weet maar nooit hoe een vervelende jongen zich later nog kan ontwikkelen.
Een van de belangrijkste dagen op school was wanneer de inspecteur op bezoek kwam. Voor ons was de inspecteur een nog belangrijker man dan de president van de Verenigde Staten. Telkens wanneer hij zijn jaarlijkse bezoek aflegde gaf hij ons dezelfde toespraak die bestond uit een herinnering aan het feit dat wanneer we maar goed genoeg ons best deden we allemaal kans haden om president te worden en de meisjes hadden de mogelijkheid om de vrouw van de president te worden. Voor zover ik weet is geen van zijn voorspellingen ooit uitgekomen, maar nadat we zagen hoe het Cleveland gelukt is, vraag ik me af of iedereen met niet al te veel gewoon verstand president kan worden. Dit bracht me op de gedachte dat ik me eigenlijk ook maar weer eens kandidaat zou moeten stellen voor het presidentschap, omdat mijn kansen nu beter dan ooit zouden kunnen zijn, als ik me alleen maar voor de Republikeinen zou kunnen nomineren.
* * *
NB: Deze verzameling van verhalen over de semi-fictieve figuur Gottlieb Boonastiel werd geschreven door H. A. Harter in het originele Pennsylvanië-Nederlandse dialect en werd gepubliceerd in de Keystone Gazette, Bellefonte, Pennsylvania, USA, tussen 1894 en 1904. De verhalen werden vertaald en bewerkt door Bob James uit Alaska en ze worden hier opnieuw afgedrukt met zijn toestemming.