De Veroordeelden Vloot des Doods
De Tweede Vloot van Australië - 1790
door Jenny French

In 1790 kwamen de schepen van de tweede vloot met gevangenen, die naar Australië gestuurd werden, in Port Jackson aan. De meerderheid van de veroordeelden die niet tijdens de reis gestorven waren (één schip alleen al had een sterftecijfer van 33%) waren zo ziek, dat ze niet meer konden lopen. Degenen, die niet naar het strand gedragen werden, waren nauwelijks sterk genoeg om aan wal te kruipen. Op de plaats waar ze aan land kwamen werd een klein tentenkamp opgericht dat dienst deed als tijdelijk hospitaal - de kolonie was nauwelijks twee jaar oud en bevond zich op de rand van uithongering. In plaats van 1017 gezonde veroordeelden (de aantallen zoals deze vanuit Portsmouth waren doorgegeven) werd de kolonie nu geconfronteerd met het verzorgen van 750 uitgehongerde, mishandelde en meer dood dan levende individuen.

Van de veiligheidsmaatregelen, zoals die werden toegepast bij het transport van veroordeelden naar Amerika, was geen sprake bij de procedures voor het transport naar Australië. Dit verschil tussen de wijze van vervoer van veroordeelden naar Amerika vóór de Onafhankelijkheidsoorlog en het systeem van vervoer naar Australië werd weliswaar door de Britse regering onderkent, maar voor de gevolgen ervan bestond weinig waardering bij de leidinggevenden of de personen die belast waren met het toezicht op de gevangenen die naar Australië vervoerd werden.

De schepen voor de Tweede Vloot werden geleverd door Camden, Calvert & King. Zij waren eerder al betrokken bij het transport van slaven naar Amerika. Aangezien deze schepen geen bezit waren van de Engelse regering, maar gehuurd werden, waren ze gewone koopvaardijschepen, die tegen de laagste kosten gehuurd werden. Ze waren gewoonlijk klein en uitgezocht door een tussenpersoon. Veel van deze transporten vonden plaats op "natte" schepen met vochtige, donkere cellen die nat waren vanwege het doorsijpelen van water. Toen men het tropengebied passeerde moet de stank aan boord onbeschrijfelijk zijn geweest met de misselijkmakende geur van ziekte, het stilstaande water benedendeks, rottend hout en de vuile stank van onhygiënische leefomstandigheden. De contractanten leverden hun eigen tussenpersoon, de bewakers, de dokter en de kapiteins en bemanning. Het grootste gedeelte van de bemanning bestond uit veeldrinkende, ruwe, ongeletterde mannen, vaak geronseld in taveernen en soortgelijke gelegenheden. De scheepsagent en de wachtcommandant waren officieren van Zijne Majesteits Diensten.

De scheepsagent was vaak verantwoordelijk voor een groep van schepen met veroordeelden, en het toezicht ter zee werd onder zeer verschillende omstandigheden uitgevoerd. Omdat het vanwege de weersomstandigheden en dergelijke onmogelijk was voor de schepen om gegroepeerd te blijven, was er een totaal gebrek aan controle en konden de officieren, tussenpersonen, bewakers of wie dan ook de veroordeelden naar hun eigen believen behandelen en mishandelen. Het enige moment waarop de scheepsagent enige autoriteit kon uitoefenen was voor het uitvaren of wanneer de schepen voor anker lagen in een haven onderweg. Sommige scheepsagenten namen inderdaad de tijd om andere schepen van het transport te bezoeken, maar het aantal bezoeken was gering en met te grote tussenpozen. Het was een niet afdoende manier om controle uit te oefenen op de meedogenloze scheepskapiteins, onbekwame artsen of de leefomstandigheden van de gevangenen zelf. Veel van de gevangenen hadden al maanden of jaren in gevangenissen of op de galeien doorgebracht en het was daarom niet ongewoon, dat een groot deel van hen aan boord van de transportschepen gestuurd werden terwijl ze reeds vel over been en ziekelijk waren, lijdend aan infecties of besmettelijke ziekten.

De Britse regering had regels opgesteld over hoe de gevangenen behandeld moesten worden. Volgens deze regels moesten de gevangenen voedsel ontvangen en dagelijks op het dek worden gelucht en daar lichaamsbeweging krijgen. Ook moesten ze regelmatig gereinigd en gedesinfecteerd worden. Maar deze voorzorgsmaatregelen werden vaak verontachtzaamd vanwege ofwel onwetendheid ofwel inefficiëntie van de officieren aan boord van de schepen. Deze regels vermeldden niets over de verantwoordelijkheid van een officier, dat deze taken ook uitgevoerd zouden worden en als gevolg hiervan ontstonden er belangenconflicten tussen de verschillende officieren aan boord. Hierdoor waren de gevangen volledig overgeleverd aan de genade van de officieren en scheepsagenten als men eenmaal buitengaats was.

Het was één van de verantwoordelijkheden van de scheepsagent van de vloot om er voor te zorgen dat het oponthoud tot een minimum beperkt werd. Het was echter de beslissing van de scheepskapitein die bepaalde hoe lang men op volle zee bleef en hoe lang in een haven, etc. De scheepsagent en de scheepsartsen waren ook verantwoordelijk voor de gezondheid van de gevangenen. Er was geen samenwerking tussen de scheepsagent en de wachtcommandant, alhoewel beiden officieren waren van Zijne Majesteits Diensten, en beiden waren ook de baas over de gevangenen! Als de scheepsagent aan boord van zijn eigen schip was, was zijn status en macht zo slecht omschreven, dat hij onmogelijk zijn taken kon uitvoeren. Daar kwam nog bij, dat de meeste scheepsagenten oneerlijk, inefficiënt en onbekwaam waren. Dit alles luidde de ramp in die de Tweede Vloot te wachten stond.

De omstandigheden aan boord van de schepen met veroordeelden waren mistroostig, vochtig en onhygiënisch en de veroordeelden zouden het meest te lijden krijgen van ziekten. De meest voorkomende ziekten waren scheurbuik, diarree, ijlkoortsen vanwege tyfus en pokken. Maar bij de Tweede Vloot zou uithongering het grootste aantal slachtoffers eisen onder de gevangenen die zich benedendeks bevonden. De Tweede Vloot bestond uit de transportschepen Neptune, Scarborough, en Surprise met John Shapcote als verantwoordelijke scheepsagent. De vloot verliet op 19 januari 1790 de haven van Portsmouth en had in totaal 939 mannelijke en 78 vrouwelijke veroordeelden aan boord. Slechts 692 mannen en 67 vrouwen zouden in Port Jackson aankomen. Meer dan vijfhonderd van hen waren ziek of stervende. Het sterftecijfer van deze vloot zou het hoogste worden in de geschiedenis van het transport naar Australië.

De reis van Engeland naar Kaap de Goede Hoop duurde 84 dagen en 46 veroordeelden stierven aan boord van de Neptune (het definitieve sterftecijfer voor dit schip zou uiteindelijk 150 mannen en 11 vrouwen bedragen). Aan boord van de Scarborough verloren 85 veroordeelden het leven en 38 veroordeelden stierven aan boord van de Surprise. De dood van 46 veroordeelden, tussen Engeland en Kaap de Goede Hoop, was precies het dubbele aantal doden aan boord van de Scarborough en Surprise samen. Dit bewijst dat de veroordeelden niet alleen maar gedurende het laatste gedeelte van de reis mishandeld werden, maar dat hiervan reeds vanaf het begin sprake was, en dat de scheepsagent hier weet van had. Terwijl de veroordeelden werkelijk rondom hem moeten zijn gestorven, schreef Shapcote in zijn verslagen, dat de soldaten en veroordeelden aan boord van het schip leden aan scheurbuik, maar vermeldde hij niets negatiefs over het gedrag van de officieren of de bemanning ten opzichte van de mishandeling van veroordeelden. Misschien voer John Shapcote op de Neptune, omdat hier vrouwelijke veroordeelden aan boord waren, en het was op dit schip, zijn schip, dat het hoogste sterftecijfer voorkwam.

Er is geen bewijs om aan te nemen dat Shapcote daadwerkelijk deelnam aan de onmenselijke behandeling en wreedheid die de scheepskapiteins uitoefenden, maar er is volop bewijs van onbekwaamheid, ontoereikendheid en grove nalatigheid van de scheepsagent. Het bewijs dat tijdens een later onderzoek naar voren werd gebracht toonde aan dat de gevangenen tot de dood toe werden uitgehongerd, ondanks het feit dat er verse voorraden aan boord waren gekomen bij Kaap de Goede Hoop. Ook waren de gevangenen benedendeks altijd aan elkaar geketend met ijzers die barbaars waren en voorheen gebruikt waren bij het vervoer van slaven. De gevangenen mochten niet naar boven komen en werden aan het dek vastgenageld. Ze werden op gruwelijke en buitensporige wijze afgeranseld met een zweep van negen snoeren met knopen en deze geselingen waren bovendien aan de orde van de dag.

Het verblijf van de vloot bij Kaap de Goede Hoop duurde ongeveer 16 dagen. Misschien kwam het door de tegenstrijdige belangen van de scheepsagent (enerzijds zijn plicht om de reis met een minimum aan oponthoud te volbrengen en anderzijds zijn verantwoordelijkheid voor de gezondheid van de veroordeelden), dat het niet bij de scheepsagent opkwam, dat een langduriger verblijf in de haven misschien gunstiger voor de gevangenen was geweest. John Shapcote stierf kort nadat men de Kaap verlaten had en het was gedurende dit deel van de reis naar Australië, dat het dodencijfer onder de veroordeelden toenam. Dokter Augustus Jacob Beyer aan boord van de Scarborough deed niets om de veroordeelden te beschermen. In werkelijkheid stond de gezondheid en het welzijn van de veroordeelden tijdens de reizen op het tweede plan en was het de eerste prioriteit om er voor te zorgen dat de gevangenissen en galeischepen "opgeruimd" werden. Toen de weersomstandigheden slechter werden maakte de Surprise water en stonden de veroordeelden benedendeks tot aan hun middel in het water, konden scheurbuik en andere ziekten welig tieren en tot overmaat van ramp werden de gevangenen met opzet tot de dood toe uitgehongerd. Dit gebeurde ook met de gevangenen aan boord van de Neptune. Vanwege een muiterij aan boord van de Scarborough moesten de gevangenen daar dicht op elkaar benedendeks blijven, waardoor het sterftecijfer toenam. Desondanks werd er aan boord van dit schip geen voedsel geweigerd aan de gevangenen. De leiders van de muiterij werden gegeseld en geslagen, terwijl degenen onder hen, die een groter gevaar vormden, aan het dek werden vastgenageld.

Toen de Tweede Vloot in Port Jackson aankwam moet dit een misselijkmakend schouwspel zijn geweest. Toen de gezagsdragers aan boord van de drie transportschepen kwamen, werden zij geconfronteerd met een aanblik van bijna naakte veroordeelden, die lagen op de plaats waar ze waren vastgeketend. De meesten waren vel over been en veel veroordeelden lagen dood in hun boeien of waren nagenoeg dood. Het overgrote deel van de veroordeelden was niet in staat om te spreken, lopen of zelfs maar rechtop te staan. Ze waren allemaal beroofd van hun menselijke waarde, bedekt in hun eigen uitwerpselen en smerigheid, bedekt met luizen. Ze vertoonden allemaal de sporen van de beestachtige wreedheid van afranselingen of geselingen en ook waren de gevolgen van de uithongering, die ze hadden moeten verdragen, duidelijk zichtbaar. Mijn oud-overgrootvader Edward Field was een van die bewakers aan boord van de Scarborough - Blijkbaar konden ze allemaal voorkomen dat ze bestraft werden of ontsnappen aan gerechtelijke vervolging vanwege hun gruwelijke behandeling van veroordeelden gedurende de reis van de Tweede Vloot naar Australië.

Toen de schepen in Engeland terugkeerden, werd er een gerechtelijk onderzoek naar de behandeling van de veroordeelden op de Tweede Vloot ingesteld. Er werden beschuldigingen geuit jegens de scheepskapiteins en de artsen. Niet één persoon kwam voor het gerecht: ze verdwenen allemaal uit het zicht nog voordat ze konden worden gearresteerd en er een proces tegen hen gevoerd kon worden.

Het sterftecijfer voor de schepen was één dode per 3,1 veroordeelden aan boord van de Neptune, één dode per 3,5 veroordeelden aan boord van de Scarborough en één dode per 7,1 veroordeelden aan boord van de Surprise.

De volgende personen zouden in staat van beschuldiging worden gesteld en voor het gerecht worden gebracht: De scheepsartsen Nicholas Anstis - Surprise. William Waters - Neptune en Donald Trail en William Gray - Scarborough. John Marshall, Augustus Jacob Beyer (dit was hun tweede reis). John Marshall was de scheepskapitein voor de reis met de Eerste Vloot van de Scarborough naar Australië (hij rapporteerde ook een poging tot muiterij tijdens zijn reis). Nicholas Anstis was eerste stuurman aan boord van de Lady Penrhyn gedurende de reis van de Eerste Vloot naar Australië. De agent van de tussenpersoon was George Whitlock. De scheepsagent was John Shapcote aan boord van de Neptune.


Terug naar de inhoudsopgave van de Nieuwsbrief van april 1998


Home Pagina ~ Wereld Dorp ~ IRC ~ Bibliotheek ~ Nieuwsbrief ~ Projekten Registratie ~ Universiteit ~ FAQ ~ Lijsteigenaars Team ~ Vertalers Team ~ Webmasters


© 1997-2003 IIGS™
IIGS is een handelsmerk van de International Internet Genealogical Society


Supervised by the IIGS™ Webmaster Team
Created & Maintained by the IIGS™ Newsletter Team
Webmasters: Holly Timm & Penny Bonnar
Revised: Tuesday, 11-Aug-1998 10:26:14 MDT