Op een late avond droomde ik dat ik een gesprek had met mijn over-grootmoeder, over onze voorouders. Wij waren bezig in de keuken alles klaar te maken voor het bakken van brood en kaneelkoeken. Ik was nog een bengel "in korte broek", zoals ze mij pleegde te noemen. Oma had mij juist de gist laten opbreken in haar speciale bakkom. Terwijl ik de gist kruimels van mijn vingers likte ( lekker), goot ze warme melk, die ze voordien gekookt had, in de kom en zette het mengsel van achter op de kachel waar de warmte van de kachel het zou doen "werken".
Terwijl ze de bloem afwoog, trachtte ik haar uit te leggen hoe haar voornaam "Mary Jane" (haar nichten en neven kenden haar als "Mollie") afkomstig was van de zuster van de vader van haar vaders moeder Mary Jane Davidson English, geboren in de county Antrim en gestorven in Warren Co., Ohio op de veertiende dag van Augustus in 1820. Ik versierde het verhaal met hoe haar grootmoeder Jane Davidson ( die huwde met Henry Pitsenbarger) een tweelingzuster had genaamd Mary Ellen Davidson ( die huwde met Henry's jonger broer Jacob Pitsenbarger). Hoe de tweeling werd geboren juist vier dagen voor dat hun tante Mary Jane stierf, and hoe dat Mary Jane (Davidson) English's voornamen gescheiden werden om elk van de tweeling te noemen.. De namen werden terug samengevoegd in de naam voor mijn overgroot- moeder, Mary Jane Pitsenbarger.
In mijn droom leek grootmoeder niet erg onder de indruk over deze informatie. Dat verontrustte mij zeer daar het de passie van mijn overgrootmoeder was om onze verwanten te kennen, die bij mij de interesse voor het onderwerp had doen ontvlammen. Terwijl ik toezag hoe zij de deeg kneedde, herinnerde ik mij dat mijn moeder mij vertelde, hoe mijn overgrootmoeder mijn 4-H leider ondervroeg over zijn familie, gewoon omdat zijn naam Davidson was. Ik begreep niet hoe zij nu zo ongeïnteresseerd leek. Als ik haar vroeg, in mijn droom, waarom zij niet opgewonden was met deze informatie over haar verre verwanten, antwoordde zij, "Wat verschil maakt het uit voor mij hun namen te kennen?" Hierop had ik geen antwoord.
Met deze verwarde opmerking, werd ik zo half wakker, keerde mij om en gleed in een andere fantasie, met steeds de gist smaak van vers gebakken brood en boter in mijn mond. Als ik wakker werd de volgende morgen, zat de zin " hun namen te kennen" mij nog steeds in het hoofd. Ik realiseerde mij dat de droom een uitdrukking was van mijn frustratie, niet in de mogelijkheid te zijn geweest mijn overgrootmoeder (zij stierf in 1972) te vertellen over mijn ontdekkingen en haar reactie met eigen ogen te zien. Ik begon mij af te vragen welke motivatie ik had om zoveel tijd en energie te besteden aan de opzoekingen van mijn voorouders.
Juist voordat ik begon aan het proefschrift van mijn eerste poging om een genealogie te pùbliceren, had ik de gelegenheid een brief te schrijven met een opsomming van de voorouders van mijn nicht Elisabeth Flollas. Op het einde van de brief, trof het mij dat ik mij verontschuldigde voor de interesse die ik in de familie geschiedenis had en schreef " Sommige mensen vinden genealogisch onderzoek een morbide bezigheid, maar ik voel het als het weder herleven van lang vergeten familieleden, die op zijn minst, onze herinnering verdienen als dank voor ons bestaan."
Weken na mijn droom, kwam ik eindelijk tot een antwoord voor mijn overgrootmoeder's onbeantwoorde droom vraag. Wat maakt het uit onze voorouders te kennen? Het helpt ons te begrijpen waar wij vandaan komen en welke prijs zij betaalden voor ons bestaan. Onze schuld is groot, en het minste dat we kunnen doen om hun nagedachtenis te eren is "Hun Namen te Kennen" een zin die de titel werd van mijn eerste schrijfsel.
Wally Garchow
Terug naar Begin Pagina